// KLASSEN Korte uitleg over het vrijevlucht vliegen.
 
Het principe:

Vrije vlucht is de oudste vorm van modelvliegsport. Het lijkt op het eerste oog de meest eenvoudig manier van bouwen en vliegen, dit komt mede door de afwezigheid van een besturing met servo's, stangetjes, draadjes, hefboompjes etc. Fout...het is een klasse waarbij juist de zuivere bouw, afstelling, betrouwbaarheid en wedstrijdtactiek een enorme ervaring vereist.

De vrije vluchtzwevers hebben geen besturing en worden na de start overgelaten aan de elementen. In de lucht om ons heen komen, vooral bij warm zonnig weer, grote plekken opstijgende lucht voor, deze plekken noemen we thermiekbellen. Als zoŽn vrije vluchtmodel in een thermiekbel terechtkomt dan wordt deze vaak naar hoogtes gebracht van 100-200 (en soms wel meer!) meter. Dit kan resulteren in het kwijt-/zoekraken van een model doordat hij uit het zicht is verdwenen.

Om deze reden zit er een veiligheid ingebouwd. Deze veiligheid noemen we een timer. De timer wordt voor een wedstrijdvlucht ingesteld op een bepaalde tijd (bv. 3 min.), als het model vervolgens van de lijn afkomt gaat deze timer "lopen"(Figuur 1 en 2). Bij het verstrijken van de tijd zorgt de timer ervoor dat er een lipje opklapt (Figuur 3), aan dit lipje zit een draadje verbonden welke naar het stabilo gaat. Het stabilo klapt vervolgens op en neemt een stand aan tussen de 30° en 60°(Figuur 4). Gevolg hiervan is dat het vrije vluchtmodel geen dragend oppervlak meer heeft aan de achterzijde en hierdoor in een spiraal naar beneden komt.

Figuur 1 Figuur 2
Figuur 3 Figuur 4


Werpmodellen:

Het werpmodel, ook wel Chuck genoemd, is een makkelijk te bouwen modelvliegtuig wanneer het is bedoeld als model en er niet al te hoge prestaties worden verlangd. Het is een klasse waarbij men vliegt met volledig houten modellen met een maximaal oppervlak van 8 dm2. Tegenwoordig maakt men steeds meer gebruik van andere materialen voor constructie van de romp bijv. tubes (hengeldeeltjes of koolstofpijpjes) zodat de kans van breken van de romp, wat nogal regelmatig voorkomt, uitgesloten is.
Het werpen van een chuck wordt schuin tegen de wind in gedaan (Zie foto) zodat het model, eenmaal boven, zijn vliegbocht ingaat.

Het afstellen van deze modellen is hierom vrij lastig omdat een zeer snelle stijgvlucht soepel moet overgaan in een rustige zweefvlucht. Deze modellen zijn vrij eenvoudig te bouwen, in ca. 1 avond, en kost qua materiaal slechts enkele guldens.

Vrije vluchtmodellen A-I en A-II klasse

De kunst van het vliegen met deze modellen, A-I en A-II, is om het model recht boven de vlieger op te trekken, dus 50 meter hoog en een thermiekbel te vinden. Het model wordt dan losgekoppeld en begint zijn vrije vlucht.
Het kielvlak van het vrije vluchtmodel kent, bij ons, twee standen: een stand voor de optrekbocht en een stand voor de vliegbocht. Deze zijn verschillend van elkaar; wijkt een model naar rechts dan is de optrekbocht naar links en de vliegbocht naar rechts. De reden van de negatieve hoek van het kielvlak bij het optrekken t.o.v. het vliegen is ervoor om de kist bij het optrekken recht aan de lijn te houden.

Het verschil tussen de A-I en A-II klasse is hieronder duidelijk te zien:


Dit zijn zweefmodellen met de volgende specificaties:

Totaal dragend oppervlak : max. 18 dm2.
Gewicht : min. 220 gram.
Opp. belasting : max. 50 g/dm2.
Opp. belasting : min. 12 g/dm2.
Lengte startlijn (2 kg voorspanning) : max. 50 meter


De meeste beginnersmodellen zijn A-I modellen, ze zijn goedkoop, niet erg moeilijk te bouwen en vliegen redelijk goed. Het vliegprincipe is gelijk aan dat van de A-II klasse, het vlieggedrag van het model daarintegen vaak niet, de A-I-tjes zijn over het algemeen vrij snel.


A-II klasse

Bij deze klasse kennen we de volgende specificaties:

Totaal dragend oppervlak : min. 32 dm2.
Totaal dragend oppervlak : max. 34 dm2.
Gewicht : min. 410 gram.
Opp. belasting : max. 50 g/dm2.
Lengte startlijn (2 kg voorspanning) : max. 50 meter



Bij de A-II klasse wordt vaak gebruik gemaakt van een zgn. zwaaihaak, met dit hulpmiddel kan men, als er geen thermiek gevonden wordt, het model een bocht laten draaien. Het model draait dan van de vlieger af zodat deze weer opnieuw kan proberen een thermiekbel te vinden. Tevens kan men met een zwaaihaak met lanceermechanisme een aanzienlijke hoogte winnen door, als er weinig of geen thermiek is, hem van de lijn te lanceren (het model wordt met grote snelheid ontkoppeld van de lijn) en een hoogte bereiken van zo'n 60 meter.



Wedstrijden

Bij wedstrijden worden vijf ronden gevlogen, de rondetijden hiervan worden van te voren met de wedstrijdleiding vastgesteld. Dit hangt af van de weerssituatie, bij een krachtige wind worden de rondetijden op bv. 2 min. gezet en bij minder krachtige wind komen de rondetijden op bv. 3 min.
Het model vliegt met de wind mee en kan per vlucht zo'n 1,4 km. ver komen.(Uitgaande van 3 min. bij windkracht 4 = 180 x 8 m/s = 1440 meter.). Dan pas klapt het stabilo op en moet het model nog naar beneden komen. Per vlucht betekent dat dus ca. 1,5 km. heen en terug, maal 5 ronden, komt dat neer op 15 km. terreinloop. Een goede conditie is dus vereist.

De helper van de vlieger heeft als taak het model in de juiste stand los te laten alvorens deze wordt opgetrokken. De vlieger geeft een teken aan de helper dat hij/zij klaar is voor de vlucht, de helper geeft op zijn beurt aan dat hij er klaar voor is.